Historie - Bodemvondsten: archeologische schatten
De vochtige bodem in het Waalspronggebied heeft een uitstekende conserverende werking gehad op beenderen en historische bodemschatten. De vele archeologische opgravingen die aan de bouw van de Waalsprong vooraf gingen, hebben dan ook een uitzonderlijk groot aantal vondsten opgeleverd. Vondsten van nationale en zelfs internationale betekenis. Het archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd door het Bureau Archeologie van de gemeente Nijmegen. De belangrijkste vondsten zijn te zien in een permanente expositie in de Historische Tuin te Lent.



Archeologisch rijksmonument
In het noorden van de Waalsprong, aan weerszijden van de spoorlijn, ligt een ondergronds archeologisch monument dat voor de toekomst bewaard moet blijven. Vanwege de enorme kosten die een complete opgraving met zich mee zou brengen, wordt er nu nog niets aan gedaan. Aan de oppervlakte is niets bijzonders te zien, want de aardlagen die de kostbare informatie bevatten, liggen ongeveer 2 meter onder het maaiveld. Bij het aanleggen van de Ovatonde, wegen en onder-grondse hoogspanningslijnen moet dit terrein echter ontzien worden. Er mag niet dieper dan 30 cm gegraven worden. De schatten die deze bodem herbergt, zijn de oudste resten van jagers/ verzamelaars-kampementen die in de Waalsprong gevonden zijn: ze dateren van ca. 5000 jaar v. Chr. Het betreft vuurstenen werktuigjes en slachtafval. Metaal en landbouwresten worden er niet aangetroffen, want deze deden pas na 3500 v. Chr. hun intrede. Het monument, zo betiteld in de jaren ’90 en in beheer bij De Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek, blijft in ruste totdat het opgegraven móet worden doordat er verstoring dreigt. De hoop is dat hier in de toekomst betere en goedkopere technieken voor beschikbaar komen.
Het is het beleid van de gemeente Nijmegen om voorzichtig om te gaan met de informatie over het verleden die hier in de bodem te vinden is. Overal waar gebouwd gaat worden, worden eerst boringen gedaan, en als er iets waardevols gevonden wordt, probeert men het te bewaren en/of in te passen in de plannen. Nijmegen loopt hierin voorop: het wordt landelijk beleid (het Verdrag van Malta). Bureau Archeologie kijkt dus altijd mee bij de aanleg van bouwputten. Het veldwerk wordt afgestemd op de fasering van de inrichting van de Waalsprong. Er zijn dagelijks mensen bezig in het veld.
De man van Lent
In 1998 werd een bijzondere vondst gedaan tijdens de opgravingen in Lent, aan de Laauwikstraat. In een blootgelegd grafveld bleken vier onverbrande skeletten te liggen tussen de (urnen met) crematieresten. De crematiegraven beantwoordden aan het algemeen bekende beeld van de dodenbehandeling in de ijzertijd (800-ca. 15 voor Chr.). Het onverbrand begraven -ook wel inhumatie genoemd- is in de ijzertijd een afwijkende handeling. Waarom kregen deze vier mensen een andere begrafenis?
De tekenen wijzen erop dat minstens één van de begraven personen om het leven is gebracht. Deze volwassene, geslacht onbekend, ligt op zijn buik, een ongewone houding. Bovendien rust de linkerhand op de nek, als om een fatale slag af te weren. De vondstsituatie doet denken aan een gebruik dat Caesar op zijn veroveringstochten door West-Europa noteerde in De Bello Gallico (over de Gallische oorlog): wanneer een man van aanzien een verdachte dood was gestorven, kon de ondervraging van zijn weduwe(n) op een gruwelijke dood uitdraaien. De ongelukkig aan zijn einde gekomen persoon is dwars boven een man van tussen de 40 en de 60 jaar oud gelegd, die getooid was met drie bronzen sieraden: twee vlechtringen en een oorring. Deze man zal de geschiedenis ingaan als ‘de Man van Lent’.
De drie sieraden zijn de enige voorwerpen die meebegraven zijn. De bronzen ringen naast de kaken geven aan dat de man vlechten of staarten droeg. De C14-methode dateert de skeletgraven in de 5e eeuw voor Christus, wat wijst op imitatie van het Keltische gebruik om onverbrand te begraven. In die tijd reikte de invloed van de vroeg-Kelstische cultuur in Noord-Frankrijk namelijk tot in het Nederlandse rivierengebied. Ook de vlechten passen mooi in het Asterix-beeld van de dappere Keltische strijder. Dit ingeburgerde beeld is echter geenszins archeologisch verantwoord! De haardracht is daarentegen wel bekend uit Noordwest-Europa, maar omdat het crematieritueel vanaf 1100 voor Chr. het begraven verving, is een vondst als deze heel uitzonderlijk.
De Boomgaard
Niet spectaculair, maar wel kenmerkend voor het zelfvoorzienende bestaan van de vroegere
huishoudens, zijn de spinklosjes van aardewerk die in elke nederzetting te voorschijn komen. Ze dienden als verzwaring van een spintol, waarop de gesponnen wol werd gewikkeld. Het houten stokje waarop de spinklos werd geschoven, is in de bodem vergaan. Dit exemplaar uit De Boomgaard is bij uitzondering versierd, een gewoonte die men opgaf na de 8e eeuw voor Chr., op de overgang van de bronstijd naar de ijzertijd. Uit die fase dateert ook deze vondst.
De Elten
Tussen de vele duizenden vondsten uit een Bataafs dorpje ter plekke van De Elten vormen deze fragmenten van terracotta beeldjes een bijzonder trio. Ze lagen dicht bij elkaar tussen afval dat in greppels was gedumpt. De vrouwenfiguur stelt Cybele voor, een Grieks-Romeinse godin die als Moeder-Aarde werd beschouwd en tevens heerseres over de dieren was. Leeuwen waren vaste begeleiders van deze godin. De vondst geeft aan hoe sterk de Romeinse cultuur – al in de loop van de 2e eeuw – in de inheemse denkwereld was binnengedrongen. Echt verwonderlijk is dat niet. Veel van de Bataafse mannen hadden enkele tientallen jaren in het Romeinse leger gediend en waren sterk geromaniseerd wanneer ze zich als veteraan weer bij hun familie voegden.

In De Elten verwijzen 22 straatnamen naar vondsten uit het Romeinse en Bataafse verleden. 2000 jaar geleden lag er in het huidige Oosterhout een Bataafs dorpje. De betekenis van de exotisch klinkende straatnamen wordt nu ter plekke zichtbaar gemaakt: er zijn afbeeldingen van de opgegraven objecten geplaatst op de straatnaamborden. In Spronglevend van november 2005 staat een compleet overzicht van deze namen en afbeeldingen. De digitale versie kunt u hier downloaden. Uitgebreide informatie over de Bataafse nederzetting vindt u hier.
Groot Oosterhout
Het is overduidelijk dat in de Waalsprong verscheidene bronzen voorwerpen bewust in het vrije veld zijn neergelegd, waarschijnlijk als offergave. Dit gebeurde bij voorkeur op een natte locatie. Zo moeten we ook de bronzen speerpunt uit een opgraving bij De Boel, in Groot-Oosterhout, bekijken. Dit wapen uit de 14e-13e eeuw voor Chr. lag plompverloren in de klei, buiten bereik van een nederzetting. Tot voor kort zouden we hierbij aan een weggeslingerde speer denken. Tegenwoordig is dit een naïeve gedachte, bijvoorbeeld omdat de tientallen bronzen zwaarden uit diezelfde periode (midden-bronstijd) die uit België en Zuid-Nederland bekend zijn, vrijwel allemaal uit de grote rivieren stammen, de Waal inbegrepen. Wellicht schreef men in de bronstijd aan rivieren al de goddelijke dimensie toe die uit later tijd bekend is en waren natte locaties in het algemeen geschikte offerplaatsen.
Visveld
Voordat de wijk Visveld werd aangelegd, kwam daar volledig onverwacht een kleine Romeinse muntschat aan het licht. De vondst bestaat uit zeven gouden munten (aurei) die geslagen zijn in de jaren 64-74 na Chr. Behalve vier exemplaren van keizer Nero en twee van Vespasianus is er ook een zeer zeldzame munt van keizer Otho, die slechts drie maanden geregeerd heeft, in het jaar 69.
Dicht bij de gouden munten werd bovendien een zilveren Keltisch muntje ontdekt, dat ongeveer een eeuw eerder geslagen is. De munten lagen in een rivierbedding die indertijd al bijna opgevuld was. Het is aannemelijk dat ze daar terechtkwamen in het kader van een eeuwenoud gebruik om waardevolle voorwerpen te offeren op natte locaties. De munten zullen zijn gedeponeerd door de Bataafse bewoners van het gebied, waarvan in de nabijheid boerderijresten ontdekt zijn.
Dokter Huijgenhof
De grafveldjes uit verschillende prehistorische perioden die in Lent gevonden zijn, hebben elk een eigen karakter. Zo kan van het onderzochte grafveldje onder de Dokter Huijgenhof gesteld worden dat het de fraaiste urnen bezat. Ze stammen uit de periode 1000-800 voor Chr. (late bronstijd), toen crematie algemeen ingang had gevonden.
Nadat de brandstapel was uitgedoofd, werd de beenderas zorgvuldig verzameld, vervolgens waarschijnlijk gewassen en tot slot in een kuiltje bijgezet. In sommige gevallen was de as in een doek geknoopt, in andere gevallen werd een urn gebruikt, zoals deze hoekige, met groeven versierde kom.

De Stelt
Aan het oostelijke einde van De Stelt is een grafveldje uit de vroege ijzertijd ontdekt met daarin zowel crematieresten als skeletten, in een dertigtal graven. Het is om verschillende redenen uniek voor Nederland en ruime omgeving. Indertijd, omstreeks de 6e eeuw voor Chr., was crematie de norm. Begravingen uit die eeuw zijn alleen nog maar uit de Waalsprong bekend. Extra opmerkelijk is een dubbelgraf, met daarin een man en een vrouw van ca. 25-35 jaar. Eerst is de man op de buik neergelegd en vervolgens de vrouw ernaast op de rug, met het hoofd bij de voeten van de man. Ze had drie bronzen sieraden meegekregen: twee haarringen en een vermoedelijke vingerring. Het graf is in zijn geheel overgebracht naar het museum van de Stichting Historische Tuin aan de Griftdijk Noord in Lent en daar te bezichtigen.
Een mogelijke verklaring voor de verschillende wijzen van dodenbehandeling is dat het bij de skeletten gaat om immigranten uit een gebied waar toen begraving de overhand had. Op grond van de gevonden sieraden komt het Duitse Middenrijngebied het eerst in aanmerking.

Veur Lent
Aan de voet van de huidige Bemmelsedijk, het huidige Veur Lent, lag rond het begin van de jaartelling een nederzetting waaruit deze fragmenten van glazen armbanden afkomstig zijn. Het brede, zevenledige type is zeldzaam, maar is – net als glazen armbanden van meer gangbare typen – wel een streekproduct.
Juist omdat het hier om een streekdracht gaat,
laten deze glazen armbanden iets zien van de continuïteit in de bewoning van de Betuwe, inclusief de Waalsprong. De regionale productie begon waarschijnlijk al rond 200 voor Chr. De sieraden werden ook nog volop gedragen in nederzettingen van rond het jaar 0. Dat betekent dat het gebied niet leeg was toen zich omstreeks 40 voor Chr. een immigrantengroep uit Hessen aandiende: de Bataven. Blijkbaar zijn de lokale bevolking en de nieuwkomers nog voor het begin van de jaartelling tot een enkele stam samengesmolten.